| Lager Onderwijs: Eindtermen wiskunde |
Wiskunde - Meten
|
Begripsvorming-wiskundetaal-feitenkennis
|
|
|
De leerlingen |
| 2.1 |
|
kennen de belangrijkste grootheden en maateenheden
met betrekking tot lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht (massa),
tijd, snelheid, temperatuur en hoekgrootte en ze kunnen daarbij de
relatie leggen tussen de grootheid en de maateenheid. |
| 2.2 |
|
kennen de symbolen, notatiewijzen en conventies bij
de gebruikelijke maateenheden en kunnen meetresultaten op veelzijdige
wijze noteren en op verschillende wijze groeperen. |
| 2.3 |
|
kunnen veel voorkomende maten in verband brengen met
betekenisvolle situaties. |
| 2.5 |
|
weten dat bij temperatuurmeting 0 °C het vriespunt
is en weten dat de temperaturen beneden het vriespunt met een negatief
getal worden aangeduid. |